De juiste putter kiezen: kopvorm, lengte en balans

Blade of mallet? Ontdek welke kop en balans bij uw puttslag passen, welke putterlengte bij uw lichaamslengte hoort en hoe u een putter vóór aankoop test.

De putter is de club die u tijdens een ronde het vaakst gebruikt, en bij elke putt blijkt of hij echt bij u past. In deze gids leest u welk type kop en welke balans bij uw puttslag passen, hoe u de juiste lengte bepaalt en hoe u een putter test voordat u een keuze maakt.

Een putter kiezen in vijf stappen

Bij het kiezen werkt u het best in deze volgorde:

  1. Bepaal uw puttslag – put u recht terug en recht door, of in een boog?
  2. Kies de balans die bij uw slag past: face-balanced of toe hang.
  3. Kies het type kop – blade, mid-mallet of mallet – afhankelijk van hoeveel vergevingsgezindheid en hulp bij het richten u wilt.
  4. Bepaal de lengte op basis van uw houding, niet alleen van uw lichaamslengte.
  5. Stem de details af en test – vergelijk grip, slagvlak en kopgewicht op 2–3 putters, direct op de green.

Koptypes: blade, mid-mallet en mallet

Een blade is de traditionele smalle en compacte kop. Hij heeft meestal meer toe hang en past daardoor vooral bij een slag in een boog. Bij treffers buiten het midden van het slagvlak is hij minder vergevingsgezind dan grotere koppen.

Een mallet heeft een grote, diepe kop waarbij het gewicht verder van het slagvlak en naar de zijkanten is verdeeld. Daardoor heeft hij een hoger MOI (traagheidsmoment): bij een treffer buiten het midden draait de kop minder weg en verliest de bal minder richting en snelheid. De grote kop biedt bovendien ruimte voor richtlijnen en contrasterende elementen die helpen bij het richten. Mallets zijn vaak face-balanced en passen daardoor vooral bij een rechte slag.

Een mid-mallet zit daartussenin: groter en stabieler dan een blade, maar compacter dan een volwaardige mallet. Het is een verstandige keuze als een blade u te weinig vergeeft, maar een grote mallet boven de bal te massief aanvoelt.

De tabel vat de typische eigenschappen samen; bij afzonderlijke modellen kunnen ze afwijken.

Type kopVormVergevingsgezindheid (MOI)Gebruikelijke balansVoor wie
Bladesmal, compact, traditioneellagermeestal toe hangspelers met een slag in een boog
Mid-malletmiddelgroot, dieper dan een bladegemiddeldtoe hang of face-balanced, afhankelijk van de halsspelers met een boog of een rechte slag, afhankelijk van de balans
Malletgroot, diep, duidelijke richthulpenhogervaak face-balancedspelers met een rechte slag en wie hulp bij het richten wil

U kunt de putters in ons assortiment filteren op type kop (filter ‘Type putterkop’). De meeste grote merken bieden zowel blades als mallets aan, bijvoorbeeld Scotty Cameron, Odyssey, PING, TaylorMade, Cleveland of Bettinardi.

Balans: face-balanced of toe hang

De balans bepaalt hoe sterk de putterkop tijdens de slag de neiging heeft om open en dicht te draaien. Die moet passen bij de manier waarop u put:

  • Rechte slag (recht terug, recht door) – de kop beweegt in de backswing en na de impact over een rechte lijn en het slagvlak blijft haaks op de doellijn. Daarbij past een face-balanced putter, die tijdens de slag minder draait.
  • Slag in een boog – de kop draait in de backswing naar binnen, het slagvlak opent zich ten opzichte van de doellijn iets en sluit na de impact weer. Daarbij past een putter met toe hang.

De vingertest

De balans van een putter controleert u in een paar seconden. Leg de shaft horizontaal op uw vinger, op het punt waar de putter in evenwicht is, en wacht tot de kop vanzelf draait:

  • Het slagvlak wijst naar boven – de putter is face-balanced.
  • De neus wijst schuin of recht naar beneden – de putter heeft toe hang. Hoe verder de neus naar de grond wijst, hoe beter de putter past bij een duidelijke boog.

Uw eigen slag controleert u langs een rechte lijn. Leg een club of een alignment stick evenwijdig aan de doellijn op de grond en maak een aantal putts. Beweegt de kop de hele tijd langs de lijn, dan heeft u eerder een rechte slag; draait hij in de backswing en na de impact naar uw voeten toe, dan put u in een boog. Een korte video met uw telefoon helpt ook.

De hals verandert de balans

Toe hang wordt niet alleen bepaald door de vorm van de kop, maar voor een groot deel ook door de hals: de plek waar de shaft op de kop aansluit. Gangbare vormen zijn:

  • Plumber's neck – een geknikte hals die doet denken aan een loodgietersbuis; een klassieker bij blade putters.
  • Flow neck – een vloeiend gebogen hals zonder scherpe knik.
  • Slant neck – een schuine hals, vaak bij mid-mallets en mallets.
  • Center shaft – de shaft komt dicht bij het midden van de kop binnen, niet bij de hiel.

Dezelfde kopvorm kan dus afhankelijk van de hals een heel andere balans hebben. Ga er daarom niet van uit dat een mallet altijd face-balanced is en een blade altijd toe hang heeft, maar controleer de balans van de betreffende putter met de vingertest.

Putterlengte op basis van lichaamslengte en houding

Putters zijn meestal 33–35 inch lang (1″ = 2,54 cm). Als eerste richtlijn dient uw lichaamslengte:

LichaamslengteRichtlengte putter
tot 170 cmca. 33″ (84 cm)
170–185 cmca. 34″ (86 cm)
boven 185 cmca. 35″ (89 cm)

Lichaamslengte is echter slechts een richtlijn; doorslaggevend zijn uw houding en de lengte van uw armen. Met de juiste lengte buigt u in een natuurlijke houding vanuit de heupen voorover, hangen uw armen ontspannen en bevinden uw ogen zich boven de bal of net binnen de bal, dus iets dichter bij uw voeten. Een speler met langere armen of een diepere voorovergebogen houding heeft eerder een kortere putter nodig, een speler met kortere armen of een rechtere houding een langere.

De positie van uw ogen controleert u met een eenvoudige test: neem uw houding boven de bal aan, houd een tweede bal tegen de neuswortel en laat hem vallen. Hij moet op de bal op de grond terechtkomen of er net naast, aan uw kant.

Veel golfers spelen met een te lange putter. U herkent dat eraan dat u hem lager op de grip vasthoudt, uw ellebogen onnodig buigt of te rechtop staat en uw ogen ver binnen de bal heeft. Een putter kan echter worden ingekort in een clubwerkplaats of bij een fitter, dus u hoeft vanwege de lengte geen model op te geven dat verder goed bij u past.

Loft, kopgewicht en counterbalance

Ook een putter heeft loft, meestal 2–4°. Die kleine loft tilt de bal aan het begin licht uit het kuiltje waarin hij op de green ligt, zodat hij soepel over het gras gaat rollen. Heeft u bij de impact uw handen vóór de bal, dan verkleint u de effectieve loft; zijn ze achter de bal, dan vergroot u hem. Ook daarom loont het om een putter met uw eigen slag te testen.

Het kopgewicht is vooral een kwestie van gevoel. De een maakt met een zwaardere kop makkelijker een rustige, vloeiende slag, de ander doseert de snelheid beter met een lichtere kop. Bij sommige modellen kunt u het gewicht aanpassen met verwisselbare gewichtjes in de zool.

Counterbalance-putters hebben een zwaardere grip of een gewicht in het uiteinde van de shaft en zijn meestal langer. U houdt ze lager vast, zodat het uiteinde van de grip boven uw handen uitsteekt. Het extra gewicht bij de handen verplaatst het balanspunt van de club naar boven en dempt de polsbeweging. Zo'n putter kan daarom goed passen bij spelers die de neiging hebben om met hun polsen te putten.

Slagvlak: insert of gefreesd metaal

Het slagvlak bepaalt vooral het gevoel en het geluid bij de impact:

  • Een slagvlak met insert van zachter materiaal geeft een zacht, gedempt gevoel en meestal een stiller geluid.
  • Een gefreesd slagvlak van metaal geeft scherpere, duidelijkere feedback; het geluid is meestal helderder.

Geen van beide is beter; het gaat erom wat bij u past. Ook de bal beïnvloedt het gevoel bij de slag, dus vergelijk putters met de bal waarmee u speelt.

Grip voor de putter

Volgens de regels is de putter de enige club die een grip met een platte voorkant mag hebben; alle andere clubs moeten een grip met een in wezen ronde doorsnede hebben. De platte kant helpt om uw duimen elke keer op dezelfde manier te plaatsen en het slagvlak haaks op het doel te houden. U kiest in principe tussen twee types:

  • Pistol – de traditionele, dunnere grip, aan de bovenkant gevormd naar de handpalm. Die geeft uw handen meer vrijheid en gevoel.
  • Oversize – een duidelijk dikkere grip. Die beperkt de polsbeweging en brengt rust in de handen, en past daarom bij spelers bij wie de polsen tijdens het putten meedoen.

Een andere grip verandert ook het gewicht bij de handen: met een zwaardere grip voelt de kop lichter aan. Een overzicht van gripmaten en -types en hoe u een grip vervangt, vindt u in onze gids over grips voor golfclubs.

Wat de regels toestaan

De Golfregels verbieden om de club tijdens de slag tegen het lichaam te verankeren (Regel 10.1b). U mag de putter, of de hand waarmee u hem vasthoudt, dus niet tegen uw buik, borst of kin laten steunen. Ook is het verboden om een onderarm tegen het lichaam te zetten en zo een vast punt te creëren waaromheen de club zwaait. De grip tegen de onderarm leggen (de arm-lockstijl) is volgens de regels daarentegen wel toegestaan.

Een lange putter is dus toegestaan zolang u tijdens de slag geen verboden verankering maakt. Alleen het lichaam of de kleding aanraken zonder verankering is geen overtreding.

Zo test u een putter

Doorslaggevend is de test op de green. Vergelijk 2–3 types, bijvoorbeeld een blade en een mallet of dezelfde kopvorm met een andere balans, en doe met elke putter dezelfde test:

  1. Precisie vanaf 1–2 m. Put vanaf verschillende kanten van de hole. Let op hoeveel ballen erin gaan en of u de hole steeds aan dezelfde kant mist.
  2. Lengte vanaf 10 m. Speel een aantal ballen en kijk hoe dicht bij de hole ze stil komen te liggen en hoe ver ze uit elkaar liggen.
  3. Richten. Ga bij de bal staan en beoordeel of de richtlijn op de kop u helpt of juist stoort.
  4. Gevoel. Test met uw eigen bal en let erop hoe het slagvlak, de grip en het kopgewicht u bevallen.

Richten en korte putts kunt u ook thuis oefenen op een puttingmat, die u vindt bij onze trainingshulpmiddelen. Het gevoel voor lengte controleert u echter op een echte green. Wilt u de keuze van uw clubs liever baseren op metingen dan op een schatting, dan is een clubfitting de aangewezen weg.

Neem de tijd voor de keuze van uw putter: elke putt die u bespaart, ziet u direct terug in uw score en daarmee ook in uw handicap.

Veelgestelde vragen

Hoe lang moet mijn putter zijn?

Als richtlijn: tot 170 cm lichaamslengte ca. 33″, bij 170–185 cm ca. 34″ en boven 185 cm ca. 35″. Pas het resultaat aan uw houding aan: in een natuurlijke voorovergebogen houding moeten uw armen ontspannen hangen en uw ogen boven de bal of net binnen de bal zijn.

Blade of mallet putter?

Als u in een boog put en van een compacte kop houdt, probeer dan een blade met toe hang. Is uw slag eerder recht of wilt u meer vergevingsgezindheid en hulp bij het richten, probeer dan een face-balanced mallet. Laat de test op de green beslissen, niet het uiterlijk.

Welke grip kiest u voor de putter?

Een dunnere pistol grip geeft de handen meer gevoel, een dikkere oversize grip beperkt de polsbeweging. De putter is de enige club die een grip met een platte voorkant mag hebben.

Is een lange putter toegestaan?

Ja. Regel 10.1b gaat over verankering tijdens de slag, niet over de lengte van de putter. U mag een lange putter zonder verboden verankering gebruiken; de grip tegen de onderarm houden bij de arm-lockstijl is toegestaan.

Kan een putter worden ingekort?

Ja. Een putter wordt aan de gripkant ingekort: de grip gaat eraf, de shaft wordt ingekort en er wordt een grip gemonteerd, meestal een nieuwe. De kop voelt daarna iets lichter aan, omdat de gewichtsverdeling van de club verandert.

Samenvatting

  • Bepaal eerst uw puttslag: bij een rechte slag past een face-balanced putter, bij een boog een putter met toe hang.
  • Een blade is compact en traditioneel, een mallet heeft een hoger MOI en helpt meer bij het richten, een mid-mallet is het compromis.
  • Controleer de balans met de vingertest – naast de kopvorm verandert ook de hals de balans.
  • De lengte is meestal 33–35″; doorslaggevend is een houding waarbij uw ogen boven de bal of net binnen de bal zijn.
  • Kies grip, slagvlak en kopgewicht op gevoel; de putter mag niet tegen het lichaam worden verankerd.
  • Vergelijk vóór de aankoop 2–3 putters: vanaf 1–2 m op precisie, vanaf 10 m op lengte.

Weet u welk type en welke lengte bij u passen, kies dan uit ons aanbod putters en voeg er indien nodig een nieuwe grip aan toe.

Meer onderwerpen vindt u in het overzicht van onze golfgidsen.